ECLI:NL:CRVB:2019:985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij drugshandel
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd verdacht van drugshandel na politieonderzoek waarbij meerdere verkopen van cocaïne aan pseudokopers werden vastgesteld. De politie vond ook restanten cocaïne en geld bij een huiszoeking.
Het dagelijks bestuur van de uitvoeringsorganisatie Baanbrekers trok de bijstand over de periode van 24 november 2016 tot en met 31 maart 2017 in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van drugshandelactiviteiten en inkomsten. Appellant ontkende de handel en verwees naar een strafrechterlijk vonnis en het ontbreken van een ontnemingsvordering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur voldoende bewijs had dat appellant handelde in verdovende middelen en aanzienlijke bedragen verdiende, en dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door geen opgave te doen van zijn activiteiten.
Het ontbreken van een ontnemingsvordering door het openbaar ministerie betekent niet dat het recht op bijstand kon worden vastgesteld. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de intrekking en terugvordering van bijstandskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens schending van de inlichtingenverplichting over drugshandelactiviteiten.