Uitspraak
18.2101 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als medewerker bediening en meldde zich in 2008 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe tot februari 2012, waarna deze werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellante stelde dat haar gezondheidstoestand was verslechterd vanaf 2013 en vroeg herleving van de uitkering.
Het UWV weigerde dit na verzekeringsgeneeskundig onderzoek omdat de verslechtering het gevolg was van nieuwe ziekteoorzaken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de nieuwe klachten niet voortvloeiden uit eerdere ziekteoorzaken.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en vroeg inschakeling van een deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat geen toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaken bestonden binnen vijf jaar na beëindiging van de uitkering. De Raad onderschreef de rechtbank en bevestigde de afwijzing van het beroep zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen recht bestaat op herleving van de WGA-uitkering wegens ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaken.