ECLI:NL:CRVB:2020:1103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst - Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante was fulltime administratief medewerkster en meldde zich ziek op 29 januari 2013. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Later stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering per 14 november 2015. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder vermoeidheid en wisselende belastbaarheid door artritis psoriatica, onvoldoende waren meegewogen en dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen. De Raad benoemde twee deskundigen, een reumatoloog en een verzekeringsarts, die onafhankelijk onderzoek deden en concludeerden dat appellante medisch gezien geschikt was voor 8 uur per dag en 40 uur per week werken.
De Raad oordeelde dat de deskundigenrapporten zorgvuldig en consistent waren en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juni 2015 niet onjuist was. Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Daarnaast werd vastgesteld dat de bestuursrechtelijke procedure langer dan de redelijke termijn had geduurd. De Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,- en proceskostenvergoeding van €262,50 aan appellante. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 mei 2020.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.