ECLI:NL:CRVB:2020:1133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden en machtiging
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden. De gemachtigde van appellanten is hierop bij brief van 13 januari 2020 gewezen en kreeg vier weken de tijd om dit te herstellen, maar liet deze termijn ongebruikt voorbijgaan.
Vervolgens is bij aangetekende brief van 13 februari 2020 nogmaals een termijn van vier weken gesteld om alsnog de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding tot niet-ontvankelijkheid zou leiden. Ook deze termijn is ongebruikt verstreken. Daarnaast werd de gemachtigde verzocht om een schriftelijke machtiging te overleggen zoals vereist op grond van artikel 8:24 Awb Pro, eveneens met twee termijnen van vier weken en waarschuwingen. Ook deze zijn niet nagekomen.
Gezien het ontbreken van zowel de beroepsgronden als de machtiging, en het feit dat appellanten ondanks herhaalde verzoeken in verzuim zijn gebleven, verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.T.H. Zimmerman op 26 mei 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en schriftelijke machtiging.