ECLI:NL:CRVB:2020:1287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met ex-partner bevestigd
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees de aanvraag af omdat hij samen met zijn ex-partner en hun zoon een gezamenlijke huishouding voert. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het vertrouwensbeginsel hem recht gaf op bijstand als alleenstaande, omdat zijn klantmanager hem bij de aanvraag had begeleid en hij daardoor vertrouwen had gekregen.
De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestuursorgaan toezeggingen of gedragingen heeft verricht waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden dat hij recht had op bijstand als alleenstaande. De aanwezigheid van de klantmanager bij de aanvraag en het beleid over tijdelijke uitzonderingen op de kostendelersnorm bieden hiervoor geen grond.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak dat appellant geen recht heeft op bijstand als alleenstaande, aangezien hij een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-partner die al bijstand ontvangt. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.