Uitspraak
13 september 2019, 18/4327 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
De gemachtigde van appellante werd bij brief van 4 november 2019 in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar liet deze termijn voorbijgaan. Vervolgens werd bij aangetekende brief van 5 december 2019 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kon leiden tot niet-inhoudelijke behandeling van de zaak.
Ook deze termijn werd ongebruikt gelaten en er zijn geen redenen gebleken die het verzuim verontschuldigen. Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en was er geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.