ECLI:NL:CRVB:2020:1307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Sociale Verzekeringsbank tot verrekening proceskosten met onverschuldigde ANW-uitkering
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de nabestaandenuitkering van betrokkene en vorderde een onverschuldigd betaald bedrag terug. Betrokkene werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Svb verrekende deze kosten met de openstaande vordering, wat door de rechtbank werd afgewezen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.
In hoger beroep stelde de Svb dat artikel 54 van Pro de Algemene nabestaandenwet (ANW) een wettelijke basis biedt voor deze verrekening, mede omdat artikel 45 ANW Pro deze bevoegdheid regelt voor bestuurlijke boetes en via artikel 54 van Pro overeenkomstige toepassing is verklaard op terugvorderingen van onverschuldigde betalingen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit standpunt.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond verklaarde en het bestreden besluit vernietigde. De Svb was bevoegd de proceskostenvergoeding te verrekenen met de vordering uit onverschuldigde ANW-uitkering. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De uitspraak bevestigt de wettelijke grondslag voor verrekening van proceskosten door de Svb in soortgelijke gevallen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank bevoegd is proceskosten te verrekenen met een vordering uit onverschuldigde ANW-uitkering.