ECLI:NL:CRVB:2020:1316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage
Appellante ontving tot en met het derde kwartaal van 2016 kinderbijslag voor haar zoon, die onder voogdij staat en niet meer tot haar huishouden behoort. Na een onderzoek door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd vastgesteld dat appellante vanaf het vierde kwartaal van 2016 geen recht meer had op kinderbijslag omdat zij niet voldoende heeft bijgedragen in het onderhoud van haar zoon.
De Svb stelde vragen aan appellante, de locatiemanager van de woon- en leefgemeenschap en de voogd van de zoon. Appellante gaf aan maandelijks € 200,- aan onderhoud te besteden en haar zoon regelmatig te bezoeken, maar verklaringen van de locatiemanager en voogd wezen erop dat de kosten voor het kind grotendeels door de stichting werden gedragen en dat de zoon weinig tot geen nieuwe kleding of cadeaus meeneemt.
De rechtbank oordeelde dat appellante haar onderhoudsbijdrage onvoldoende had onderbouwd, ondanks het overleggen van bankafschriften, en verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat contante opnames van haar rekening bedoeld waren voor het onderhoud, maar de Raad oordeelde dat deze niet eenvoudig controleerbaar zijn en dat zij geen ander bewijs heeft geleverd.
De Raad bevestigt daarom de weigering van kinderbijslag over de betreffende periode. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte onderhoudsbijdrage.