Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:1332

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2020
Publicatiedatum
30 juni 2020
Zaaknummer
19/4305 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel. Bij brief is appellant gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht van €128,00 binnen 28 dagen. Appellant deed een beroep op betalingsonmacht en stuurde een ingevuld formulier terug. De Raad vroeg een inkomensverklaring op bij de Raad voor Rechtsbijstand en gaf appellant meerdere malen de gelegenheid aanvullende gegevens te verstrekken, waarop appellant niet reageerde.

Na afwijzing van het beroep op betalingsonmacht volgden meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief die niet werd afgehaald. Een laatste herinnering bood nogmaals een termijn van twee weken om het griffierecht te betalen. Dit gebeurde niet. De Raad oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 juni 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 30 juni 2020
19/4305 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
18 september 2019, 18/2153 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 29 oktober 2019 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 128,00 is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij brief van 7 november 2019 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van 18 november 2019 is appellant gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. Appellant is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te regeren op voornoemde brief. Daarbij is appellant erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens.
Appellant heeft dit formulier ingevuld en ondertekend ingezonden. De Raad heeft het op
29 november 2019 ontvangen.
Bij brief van 29 november 2019 heeft de Raad een inkomensverklaring met betrekking tot appellant opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Bij brief van 16 december 2019 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensverklaring van appellant overgelegd.
Bij brief van 18 december 2019 is aan appellant een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van de bij de brief gevoegde verklaring te reageren, nu de gegevens in de beschikking niet actueel zijn.
Appellant heeft hierop niet geantwoord.
Bij brief van 10 januari 2020 is aan appellant nogmaals een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van de bij de brief gevoegde verklaring te reageren.
Appellant heeft ook op deze brief niet gereageerd.
Bij brief van 28 januari 2020 is het verzoek om betalingsonmacht afgewezen. Daarbij is appellant medegedeeld dat er een herinnering griffierecht zal worden verstuurd waarin wordt verzocht het griffierecht binnen de op de herinnering gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
Bij aangetekende brief van 29 januari 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
De aangetekend verzonden herinnering van 29 januari 2020 is door PostNL aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak geretourneerd met de mededeling dat deze niet is afgehaald.
Bij brief van 28 februari 2020 is de herinnering nogmaals verzonden. In genoemde brief wordt appellant nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om het griffierecht binnen twee weken te betalen. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet op tijd is betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van
T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2020.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.