ECLI:NL:CRVB:2020:1366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante was werkzaam als adviseur particulieren bij een bank en meldde zich op 19 april 2017 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 1 augustus 2017 op basis van een oordeel van verzekeringsartsen dat zij geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsarts niet verplicht was aanvullende informatie bij de behandelend sector in te winnen, aangezien geen sprake was van een lopende behandeling die een significant effect had op haar arbeidsmogelijkheden. De verzekeringsartsen hadden een zorgvuldig onderzoek verricht en hun conclusies waren voldoende onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, stellende dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met haar medische situatie en dat informatie van haar behandelend sector ontbrak. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangevoerd die aanleiding gaven de conclusies van de verzekeringsartsen te betwijfelen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering had beëindigd omdat appellante geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 1 augustus 2017 wordt bevestigd.