ECLI:NL:CRVB:2020:1383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over arbeidsongeschiktheidsdatum en bezoldiging ambtenaar
Appellante is sinds 1997 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en is vanaf oktober 2011 langdurig ziek geweest. Na een herroeping van strafontslag is zij per 1 maart 2017 opnieuw aangesteld en ziekgemeld. De minister heeft per 1 maart 2018 een korting van 30% op haar bezoldiging toegepast wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, welke korting pas vanaf april 2018 werd geëffectueerd.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen deze korting gegrond verklaard en bepaald dat zij recht heeft op volledige doorbetaling van bezoldiging over de periode van 1 april 2018 tot 23 juli 2018, met een aangepaste werktijd van respectievelijk 4 uur per week en 2 uur per dag. De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep de rechtbankuitspraak bevestigd.
Appellante voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat 1 maart 2017 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag was, maar de Raad vond dit onvoldoende onderbouwd en onderschreef de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 juli 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak dat 1 maart 2017 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is en dat appellante recht heeft op volledige doorbetaling van bezoldiging over de betwiste periode.