ECLI:NL:CRVB:2020:1386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als vorkheftruckchauffeur/magazijnmedewerker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Verzekeringsartsen stelden vast dat appellant belastbaar is met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, maar berekende de arbeidsongeschiktheid op slechts 12,95%.
Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen per 5 november 2018, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar en beroep van appellant werden ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank Zutphen. De rechtbank vond de medische en arbeidskundige motivering overtuigend.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten zonder nieuwe objectieve medische gegevens aan te leveren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.