ECLI:NL:CRVB:2020:1386

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2020
Publicatiedatum
7 juli 2020
Zaaknummer
19/4029 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, laatstelijk werkzaam als vorkheftruckchauffeur/magazijnmedewerker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Verzekeringsartsen stelden vast dat appellant belastbaar is met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, maar berekende de arbeidsongeschiktheid op slechts 12,95%.

Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen per 5 november 2018, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar en beroep van appellant werden ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank Zutphen. De rechtbank vond de medische en arbeidskundige motivering overtuigend.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten zonder nieuwe objectieve medische gegevens aan te leveren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

19 4029 WIA

Datum uitspraak: 2 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 september 2019, 19/874 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M.J. Schrijver hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als vorkheftruckchauffeur/magazijnmedewerker voor gemiddeld 35,5 uur per week. Op 7 november 2016 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Appellant ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
8 augustus 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 12,95%. Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 5 november 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 januari 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant besproken en geconcludeerd dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant op overtuigende wijze hebben gemotiveerd en dat hij in staat moet worden geacht arbeid te verrichten overeenkomstig de in de FML van 8 augustus 2018 vastgestelde belastbaarheid. Ook heeft de arbeidsdeskundige volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant bij de geduide functies niet wordt overschreden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en heeft ter onderbouwing van zijn standpunt volstaan met een verwijzing naar de gronden zoals die in bezwaar en beroep zijn aangevoerd.
3.2.
Het Uwv heeft gesteld dat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep zijn stelling, dat te geringe beperkingen zijn aangenomen, niet heeft onderbouwd met objectieve medische gegevens en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 5 november 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige getrokken conclusies. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.
4.4.
Uit 4.2 tot en met 4.3. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2020.
(getekend) A.T. Kwaasteniet
(getekend) A.M.M. Chevalier