ECLI:NL:CRVB:2020:1494

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2020
Publicatiedatum
15 juli 2020
Zaaknummer
18/5546 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 2, eerste lid, aanhef en onder b Bpb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep veroordeelt UWV in proceskosten na intrekking hoger beroep WIA-beslissing

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een WIA-beslissing van het UWV. Het UWV nam op 31 oktober 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in bij brief van 13 november 2019 en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan veroordeeld kan worden in de kosten indien het geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroep. De Raad veroordeelde het UWV in de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep.

De proceskosten werden begroot op €1.050,- voor het beroep en €525,- voor het hoger beroep. Daarnaast werd de vergoeding voor een rapportage van een verzekeringsarts van 12,5 uur tegen een uurtarief van €126,47 (inclusief BTW €1.912,85) toegewezen. Het betaalde griffierecht kon appellant rechtstreeks bij het UWV verhalen.

De Centrale Raad van Beroep sprak de beslissing uit op 15 juli 2020 en veroordeelde het UWV in de totale kosten van €3.487,85.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €3.487,85 na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 juli 2020
18/5546 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2018, 17/7046
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft Den Hollander-Fischer hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 31 oktober 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 13 november 2019 heeft en Hollander-Fischer, als opvolgend gemachtigde, namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.050,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 525,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand.
Het verzoek om vergoeding van de door de gemachtigde van appellant overgelegde rapportage van mw. M.J. Gerritze, verzekeringsarts, komt voor toewijzing in aanmerking.
De Raad is van oordeel dat gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en artikel 8 van Pro het Besluit tarieven in strafzaken 2003 daarbij wordt uitgegaan van een uurtarief van € 126,47. Uit de door de gemachtigde van appellant overgelegde nota blijkt dat de werkzaamheden van mw. M.J. Gerritze 12,5 uur in beslag hebben genomen, zodat de vergoeding € 1.912,85 (inclusief 21% BTW) bedraagt.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.487,85.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2020.
(getekend) B. J. van de Griend
(getekend) H. Alajai
JvC