ECLI:NL:CRVB:2020:1505

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juni 2020
Publicatiedatum
17 juli 2020
Zaaknummer
19/4928 AW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:2 AwbArt. 8:8 Arbeidsvoorwaardenregeling MaastrichtArt. 8:88 AwbArt. 8:90 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om schadevergoeding na ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding

Appellant is op 1 januari 2014 ontslagen door het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wegens een diepgaande, ernstig en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, zoals vastgelegd in artikel 8:8 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling Maastricht. Dit ontslagbesluit is na bezwaar gehandhaafd en door de rechtbank Limburg en de Raad bevestigd.

Appellant diende vervolgens bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding in op grond van artikel 8:90 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), stellende dat het besluit onrechtmatig was. De rechtbank wees dit verzoek af, omdat het ontslagbesluit in rechte onherroepelijk was geworden en er geen sprake was van een onrechtmatig besluit of onrechtmatig handelen ter voorbereiding daarvan.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan en is gebaseerd op een zorgvuldige toetsing van de feiten en het toepasselijke recht.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding na ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding wordt afgewezen.

Uitspraak

19.4928 AW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 oktober 2019, 19/1001 en 19/2802 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgmeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 25 juni 2020
Zitting heeft: C.H. Bangma
Griffier: M. Stumpel
Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door A.J.W.M. Rijpert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Aan appellant is bij besluit van 18 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
12 april 2016, met ingang van 1 januari 2014 ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling Maastricht wegens een diepgaande, ernstig en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding. De rechtbank Limburg heeft het beroep tegen het besluit van 12 april 2016 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1681) heeft de Raad dit oordeel van de rechtbank bevestigd.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtsverkrijgenden belanghebbende zijn.
Appellant heeft bij brief van 3 april 2019 een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:90 van Pro de Awb bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Met de uitspraak van 31 mei 2018 is het ontslagbesluit in rechte komen vast te staan. Onder verwijzing naar die uitspraak komt de Raad, anders dan appellant, tot de conclusie dat het schadeverzoek niet ziet op een onrechtmatig besluit of onrechtmatig handelen ter voorbereiding van het besluit. De rechtbank heeft het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade terecht afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Stumpel (getekend) C.H. Bangma