Uitspraak
OVERWEGINGEN
Het door appellant tegen deze beslissing gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 juli 2018 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond geacht.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1941 en woonachtig in Marokko, ontving vanaf juli 2006 een ouderdomspensioen en een toeslag daarop omdat zijn echtgenote destijds de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt. Op 20 april 2018 werd hem door de Sociale verzekeringsbank (Svb) meegedeeld dat de toeslag per 1 juli 2018 zou vervallen omdat zijn echtgenote op die datum de pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar bereikte.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 17 juli 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen het besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep herhaalden partijen hun standpunten, waarna de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigde.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 8, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) appellant vanaf 1 juli 2018 geen recht meer heeft op de toeslag. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 20 juli 2020.
Uitkomst: De toeslag op het ouderdomspensioen wordt per 1 juli 2018 beëindigd omdat de echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.