ECLI:NL:CRVB:2020:1569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht en ontbreken beroepsgronden
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en het indienen van beroepsgronden. Ondanks deze waarschuwingen heeft appellant het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft hij nagelaten om de beroepsgronden aan te vullen.
De Raad heeft op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het griffierecht geëist en appellant meerdere kansen gegeven om dit alsnog te voldoen. Daarnaast is op grond van artikel 6:5 en Pro 6:24 Awb vereist dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat, hetgeen eveneens ontbrak.
Gezien het uitblijven van betaling en het ontbreken van beroepsgronden is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. Bangma op 16 juli 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.