Appellante, een vervolgde uit de Tweede Wereldoorlog, verzocht om vergoeding van kosten voor fysiotherapie en Feldenkrais therapie op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder wees dit verzoek af omdat de klachten waarvoor de voorzieningen nodig zijn, voortkomen uit een val en niet direct verband houden met de vervolging. De Raad stelde vast dat de medische advisering onvoldoende aandacht had besteed aan de door appellante gestelde instabiliteit die verband zou kunnen houden met haar osteoporose.
De Raad oordeelde dat verweerder het besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid en dat het niet op een draagkrachtige motivering berustte. Er was onvoldoende medisch onderzoek gedaan naar het mogelijke verband tussen de osteoporose en de instabiliteit die tot de val leidde. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Verweerder werd opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed.