ECLI:NL:CRVB:2020:1603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor functie productiemedewerker industrie
Appellante was werkzaam als medewerkster algemene schoonmaak toen zij zich ziek meldde en een WIA-uitkering werd geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Later ontving zij een Ziektewet-uitkering die het UWV beëindigde per 13 oktober 2017, omdat zij medisch geschikt werd geacht voor een andere functie, namelijk productiemedewerker industrie.
Het UWV baseerde dit op een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en medische en arbeidskundige rapporten. Appellante maakte bezwaar tegen de beëindiging, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functie passend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke en psychische klachten zwaarder wogen dan aangenomen, maar zij overlegde geen nieuwe medische gegevens ter onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat appellante medisch geschikt is voor de functie productiemedewerker industrie en bevestigde de beëindiging van de ZW-uitkering.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij medisch geschikt is voor de functie productiemedewerker industrie.