ECLI:NL:CRVB:2020:1634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WGA-uitkering wegens nihil arbeidsongeschiktheid en correcte beëindiging
Appellante kreeg aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend wegens een arbeidsongeschiktheid van 60,6%. Het UWV herroept dit besluit echter bij bezwaar en stelt dat de arbeidsongeschiktheid nihil is, waardoor de uitkering met terugwerkende kracht wordt beëindigd per 31 maart 2018.
De rechtbank verklaart het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk maakt dat de medische beoordeling onjuist is. De verklaring van een GZ-psycholoog heeft betrekking op een eerdere periode en de gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst geldt vanaf de datum in geding.
In hoger beroep betoogt appellante dat zij door het bezwaar in een slechtere positie is gekomen, wat strijd zou opleveren met het verbod van reformatio in peius. Ook stelt zij dat haar beperkingen onderschat zijn, met name de afwezigheid van een urenbeperking.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verbod van reformatio in peius niet van toepassing is bij intrekking per toekomende datum en dat het UWV bevoegd was de uitkering te beëindigen met inachtneming van een uitlooptermijn. De medische beoordeling is overtuigend en objectief gemotiveerd, waarbij subjectieve klachtenbeleving niet doorslaggevend is. Appellante brengt geen objectieve gegevens aan die dit oordeel ondermijnen.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering per 31 maart 2018 wegens nihil arbeidsongeschiktheid.