ECLI:NL:CRVB:2020:166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om met ingang van 14 september 2016 haar Ziektewetuitkering te beëindigen na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante behandeld en oordeelt dat er geen aanleiding is om anders te beslissen dan de rechtbank. Het UWV heeft bij het vaststellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) rekening gehouden met het door appellante ingebrachte expertiserapport van een orthopedisch chirurg. Er zijn geen objectieve medische redenen om te veronderstellen dat de beperkingen in de FML de klachten van appellante onderschatten.
De lichte beperking voor zitten tijdens werk, zoals opgenomen in de FML, gaat zelfs verder dan het expertiserapport aangeeft. De door appellante aangevoerde klacht over het niet kunnen dragen van schoeisel is onvoldoende medisch onderbouwd. De geselecteerde functies waarop de beoordeling is gebaseerd zijn voornamelijk zittende functies, passend bij de medische beoordeling.
Appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt te onderbouwen met medische stukken en een expertiserapport. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel (equality of arms). De Raad volgt de rechtbank ook in het oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de functies medisch geschikt zijn voor appellante. De nieuwe beroepsgrond over het opleidingsniveau is te laat ingebracht en wordt niet gehonoreerd.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het besluit van het UWV. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering door het UWV na eerstejaarsbeoordeling.