Uitspraak
19.990 AOW
OVERWEGINGEN
,waarbij appellant verzekerd is geacht voor de AOW vanaf 3 januari 1964 tot en met 12 september 1995, waardoor hij 4% van het AOW-pensioen heeft opgebouwd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), waarbij hij stelde langere periodes in Nederland te hebben gewoond en gewerkt dan door de Sociale verzekeringsbank (Svb) erkend. De Svb weigerde aanvankelijk het pensioen wegens onvoldoende bewijs van verblijf en werk in Nederland, mede omdat het opgegeven sofinummer aan anderen toebehoorde.
Na bezwaar werd een pensioen toegekend met een korting van 94%, gebaseerd op 47 niet-verzekerde jaren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij recht had op een hoger pensioen omdat hij ook tijdens ziekte verzekerd zou zijn geweest en langere periodes had gewerkt. De Raad heeft onderzoek gedaan naar de door appellant genoemde bedrijven en navraag gedaan bij de gemeente Rotterdam.
Uit het onderzoek bleek geen bewijs dat appellant buiten de erkende tijdvakken in Nederland heeft gewoond of gewerkt. De stukken die appellant overlegd heeft, betroffen reeds erkende verzekeringsperioden. De Raad concludeert dat de Svb terecht alleen de periodes van 3 maart 1993 tot en met 14 mei 1993 en van 3 januari 1994 tot en met 31 mei 1996 als verzekerd heeft aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 94% op het AOW-pensioen wegens onvoldoende verzekerde jaren.