ECLI:NL:CRVB:2020:1806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na geschiktheid voor aangepaste functie
Appellant, werkzaam als horecamedewerker, meldde zich ziek met darm- en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV weigerde later een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en achtte hem geschikt voor functies binnen zijn beperkingen, waaronder samensteller kunststof- en rubberindustrie.
Na een nieuwe ziekmelding en medisch onderzoek achtte een verzekeringsarts appellant geschikt voor de genoemde functie voor vier uur per dag en twintig uur per week. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewetuitkering, wat appellant betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de medische beoordeling zorgvuldig was en rekening hield met zijn lichamelijke en psychische klachten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn aandoeningen en medicatie hem verhinderen te werken, maar kon dit niet met nieuwe medische gegevens onderbouwen.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat appellant terecht geschikt is geacht voor de functie, waardoor beëindiging van de ZW-uitkering gerechtvaardigd is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor een aangepaste functie.