Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:1812

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 augustus 2020
Publicatiedatum
11 augustus 2020
Zaaknummer
18-3475 NIOAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 35 ParticipatiewetArt. 11 ParticipatiewetArt. 9 IOAW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand en bruto verrekening inkomsten met IOAW-uitkering

Appellante ontving een IOAW-uitkering en had daarnaast inkomsten uit freelance werkzaamheden. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat de kosten al vóór de aanvraag waren voldaan.

Daarnaast maakte appellante bezwaar tegen de bruto verrekening van haar inkomsten met de IOAW-uitkering, wat door het college werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep bevestigde de Raad dat bijzondere bijstand niet wordt verleend voor kosten die al voldaan zijn ten tijde van de aanvraag, conform de Participatiewet. Ook werd geoordeeld dat de bruto verrekening van inkomsten met de IOAW-uitkering terecht is, omdat de IOAW een bruto grondslag kent.

Het verzoek tot vergoeding van schade werd afgewezen en er werden geen proceskosten toegekend. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand en de bruto verrekening van inkomsten met de IOAW-uitkering worden bevestigd.

Uitspraak

18.3475 NIOAW

Datum uitspraak: 11 augustus 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2018, 17/1500 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld, aanvullende stukken ingediend en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 1 april 2013 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor een alleenstaande. Daarnaast had appellante onder meer inkomsten uit freelance werkzaamheden, die door het college bruto in mindering werden gebracht op de (bruto) uitkering.
1.2.
Appellante heeft op 21 oktober 2016 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand ter hoogte van € 129,- ingediend. Bij besluit van 29 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 april 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante de kosten al vóór de aanvraag had voldaan.
1.3.
Bij brief van 17 januari 2017 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie over november 2016. Volgens appellante heeft het college ten onrechte haar inkomsten uit overige werkzaamheden bruto met haar IOAW-uitkering verrekend. Bij besluit van 19 april 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
afwijzing bijzondere bijstand
4.1.
Vaststaat dat de gemachtigde van appellante op 2 augustus 2016 een Lichte Advies Toevoeging heeft aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand en dat deze op 11 augustus 2016 is toegekend. Verder heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 2 augustus 2016 een bedrag ter hoogte van € 129,- voor de eigen bijdrage bij appellante in rekening gebracht. Appellante heeft dit bedrag in twee termijnen op 2 augustus 2016 (€ 77,-) en op 14 augustus 2016 (€ 52,-) voldaan. Op 21 oktober 2016 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten ingediend.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat appellante de kosten waarop de aanvraag ziet ruim vóór de aanvraag om bijzondere bijstand heeft voldaan. Uit artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de PW vloeit voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat de besluitvorming van het college onzorgvuldig is geweest, omdat de werkzaamheden van rechtsbijstand kort na het intakegesprek aanvangen, een nota voor de eigen bijdrage kort na dat gesprek wordt verstuurd en een betalingstermijn van twee weken gebruikelijk is, terwijl het college een aanvraag voor bijzondere bijstand pas in behandeling neemt als alle benodigde bewijsstukken zijn aangeleverd.
4.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in wat appellante heeft aangevoerd geen omstandigheden zijn gelegen, die een uitzondering op het in 4.2 vermelde uitgangspunt rechtvaardigen. De door appellante genoemde omstandigheden stonden er niet aan in de weg om de aanvraag om bijzondere bijstand aan te vragen voordat de kosten waren voldaan, bijvoorbeeld tegelijk met de aanvraag om de toevoeging. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.
Verrekening van bruto inkomsten
4.5.
Het college heeft, anders dan appellante heeft aangevoerd, terecht op grond van artikel 9 van Pro de IOAW de inkomsten uit overige werkzaamheden van appellante bruto verrekend met de voor appellante geldende grondslag voor de IOAW-uitkering. Hierbij is van belang dat de IOAW een bruto grondslag kent, zodat ook eventuele inkomsten bruto met deze grondslag moeten worden verrekend. Dat appellante over haar bruto inkomsten nog belasting moest afdragen doet daar niet aan af.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2020.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) D. Bakker