ECLI:NL:CRVB:2020:1847
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding niet-genoten verlofuren bij ontslag ambtenaar
De zaak betreft een beroep van een ambtenaar tegen het besluit van de Staatssecretaris van Financiën over de uitbetaling van niet-genoten verlofuren bij zijn ontslag op 7 oktober 2011. De Raad heeft eerder het besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
In het bestreden besluit is vastgesteld dat de appellant aanspraak heeft op 226 verlofuren, waarvoor een bruto vergoeding van €4.178,74 is berekend op basis van een bruto uurloon van €18,49. Na verrekening met een openstaande schuld resteert een bedrag van €270,47 dat de appellant nog verschuldigd is.
De appellant stelde primair dat de verlofaanspraak vanaf 1 april 2005 of 1 januari 2006 berekend moest worden, wat zou leiden tot een hogere vergoeding. Subsidiair betoogde hij dat het bruto uurloon inclusief toeslagen van €19,31 had moeten worden gehanteerd. Beide standpunten werden verworpen omdat de berekening moest plaatsvinden volgens de artikelen 23 en 24 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zoals die golden ten tijde van het ontslag, en het uurloon correct was vastgesteld.
Daarnaast werd het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente afgewezen omdat na verrekening nog een schuld van appellant resteert. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de berekening van de vergoeding voor niet-genoten verlofuren wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.