ECLI:NL:CRVB:2020:1851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in AOW-zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak betreft het een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een AOW-kwestie. Appellante heeft hoger beroep ingesteld, maar het beroepschrift bevatte geen gronden van beroep zoals vereist volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De gemachtigde van appellante is bij brief van 26 mei 2020 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de beroepsgronden alsnog in te dienen, maar deze termijn is ongebruikt verstreken. Vervolgens is bij aangetekende brief van 26 juni 2020 opnieuw een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-ontvankelijkheid. Ook deze termijn is niet benut.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen redenen zijn die het verzuim kunnen verontschuldigen en verklaart het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum op 13 augustus 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.