Uitspraak
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag gedaan voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) type bestuurder of passagier en een gehandicaptenparkeerplaats. Het college heeft deze aanvragen op 9 maart 2017 afgewezen op basis van medische adviezen van de GGD Amsterdam, die concludeerden dat appellante ondanks haar beperkingen zelfstandig meer dan 100 meter binnen tien minuten kan lopen.
Na bezwaren van appellante heeft de GGD aanvullend medisch advies uitgebracht, waarop het college op 9 februari 2018 de bezwaren ongegrond verklaarde. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante tegen deze besluiten afgewezen, stellende dat de medische adviezen zorgvuldig en inzichtelijk zijn en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat eerdere verstrekking van een GPK geen toezegging voor toekomstige verstrekking inhoudt.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verklaringen van haar huisarts een ernstige loopbeperking aantonen en dat nader onderzoek nodig is. Tevens stelde zij dat haar gezondheid is verslechterd en dat het vertrouwensbeginsel wel moet worden gehonoreerd. De Centrale Raad van Beroep heeft deze argumenten verworpen, omdat de medische adviezen van de GGD, ook na nadere toelichting, geen ernstige loopbeperking onderbouwen en het beroep op het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk is gemaakt.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart wordt bevestigd.