ECLI:NL:CRVB:2020:1923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ouderdomspensioen wegens voortvluchtigheid tijdens detentie
Appellant ontving vanaf oktober 2011 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). In 2017 gaf appellant geen gevolg aan een oproeping om een gevangenisstraf te ondergaan, waarna de Sociale verzekeringsbank (Svb) het ouderdomspensioen per 1 augustus 2017 beëindigde wegens voortvluchtigheid op grond van artikel 8c AOW.
Appellant stuurde vervolgens een bewijs van ontslag uit detentie, waarna de Svb het pensioen per 20 januari 2018 herstelde. Het bezwaar van appellant tegen dit herstelbesluit werd ongegrond verklaard door de rechtbank, die tevens oordeelde dat het eerdere beëindigingsbesluit niet meer aanvechtbaar was.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet voortvluchtig was geweest, maar zijn gronden richtten zich tegen het eerdere beëindigingsbesluit, niet tegen het bestreden herstelbesluit. De Raad oordeelde dat het hoger beroep daarom niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Tevens merkte de Raad op dat de Svb terecht niet is teruggekomen op het beëindigingsbesluit en dat er geen aanleiding is voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ouderdomspensioen per 1 augustus 2017 wordt bevestigd.