Appellante, voormalig receptioniste, meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Na een verslechtering van haar gezondheid werd haar uitkering in 2016 verhoogd naar een loonaanvullingsuitkering. Een herbeoordeling in 2017 leidde tot het besluit de uitkering te beëindigen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar psychische beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. Het UWV handhaafde het besluit na beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functies medisch geschikt. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen objectieve medische onderbouwing voor de door appellante gestelde ernstigere beperkingen.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend waren en bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.