Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2044

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 augustus 2020
Publicatiedatum
28 augustus 2020
Zaaknummer
18/5922 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 WlzArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvraag langdurige zorg bij minderjarige met vermoedelijke verstandelijke handicap

Appellante, geboren in 2012, heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft deze aanvraag bij besluit van 2 oktober 2017 afgewezen en het bezwaar van appellante bij besluit van 13 februari 2018 ongegrond verklaard, omdat niet kon worden vastgesteld dat zij een verstandelijke handicap heeft die leidt tot een blijvende noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank baseerde zich op het advies van de medisch adviseur van het CIZ, die stelde dat de IQ-score tussen 70 en 85 lag en dat diagnostiek en behandeling nog niet waren afgerond, waardoor geen grondslag verstandelijke handicap kon worden vastgesteld.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd en aanvullende rapportages overgelegd, waaronder een orthopedagogisch en psychologisch onderzoek en een brief van een kinder-neuroloog. De Centrale Raad van Beroep heeft echter geoordeeld dat deze stukken niet zien op de situatie tijdens de beoordelingsperiode tot 13 februari 2018 en dat er geen aanleiding is het oordeel van de rechtbank te wijzigen.

De Raad bevestigt dat appellante niet voldoet aan de criteria van artikel 3.2.1 Wlz voor blijvende 24-uurszorg en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wlz-aanvraag wordt bevestigd.

Uitspraak

18.5922 WLZ

Datum uitspraak: 26 augustus 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 12 oktober 2018, 18/1080 en 18/2742 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Van der Wal heeft nadere stukken ingediend en verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 2012, heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft CIZ deze aanvraag afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 13 februari 2018 (bestreden besluit) heeft CIZ, onder verwijzing naar de adviezen van zijn medisch adviseur, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 oktober 2017 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat nog niet kan worden vastgesteld dat de grondslag verstandelijke handicap van toepassing is bij appellante. Daarnaast kan nog niet worden vastgesteld dat appellante blijvend, en dus levenslang, is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Appellante komt daarom niet in aanmerking voor zorg op grond van de Wlz.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Hiertoe is overwogen dat de medisch adviseur van CIZ gemotiveerd heeft toegelicht dat bij appellante geen grondslag verstandelijke handicap kan worden vastgesteld, waarbij is gewezen op de leeftijd van appellante, haar omstandigheden en ontwikkelmogelijkheden. De medisch adviseur stelt in een advies van 15 december 2017 dat met de huidige gegevens met een IQ tussen de 70 en 85, zonder dat duidelijk appellantes functioneren is vastgesteld en waarbij diagnostiek en behandeling nog niet zijn afgerond, geen grondslag verstandelijke handicap kan worden vastgesteld. In een aanvullend advies van 25 september 2018, dat is opgesteld naar aanleiding van een door appellante in beroep ingediend rapport van psychiater P. Raap van NL-PSY, staat dat appellante de diagnose ADHD heeft en daarvoor inmiddels medicatie gebruikt. Ook worden kenmerken gezien die mogelijk op een ASS-stoornis wijzen. Appellantes ontwikkeling is door de omstandigheden en de onrust bij de ADHD negatief beïnvloed. Er is ontwikkeling te verwachten. De resultaten van de in 2017 afgenomen IQ-test kunnen door diverse omstandigheden substantieel zijn beïnvloed. Daarnaast zijn de problemen in het gedrag en adaptief vermogen te verklaren vanuit de aanwezige psychiatrische diagnosen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht CIZ afgaan op de adviezen van zijn medisch adviseur. Wat appellante heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingediend, geeft geen aanleiding om aan die adviezen te twijfelen. De enkele stelling dat zij 24 uur per dag zorg nodig heeft, is daartoe onvoldoende. Gelet op de te verwachten ontwikkeling van appellante kan nog niet worden vastgesteld dat bij haar sprake is van een blijvende noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid. CIZ heeft de aanvraag van appellante voor zorg op grond van de Wlz dan ook terecht afgewezen.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft haar standpunt gehandhaafd dat bij haar sprake is van de grondslag verstandelijke handicap en dat zij 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft. Deze behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid is blijvend, omdat geen enkel zicht bestaat op verbetering van haar gedrag. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante diverse stukken ingediend, waaronder een rapportage van 27 september 2018 op basis van ICF-Taksatieschaal van orthopedagoog B. Reintjes, een verslag van een psychologisch onderzoek van 21 oktober 2019 van Gz-psycholoog-orthopedagoog U. de Wit van COSIS Expertisecentrum en een brief van 13 december 2019 van (kinder)neuroloog Z. Metting.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz is bepaald dat een verzekerde recht heeft op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,
1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
4.2.
In artikel 3.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wlz is bepaald dat in het eerste lid onder
blijvendwordt verstaan: van niet voorbijgaande aard.
4.3.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.4.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Daarbij heeft zij verwezen naar de door haar in hoger beroep ingediende stukken. In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit de in hoger beroep overgelegde stukken niet blijkt dat zij zien op de situatie van appellante tijdens de beoordelingsperiode, die loopt tot en met 13 februari 2018 (de datum van het bestreden besluit).
4.5.
Uit rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4.6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J.P.A. Boersma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M. Buur