Uitspraak
18.5922 WLZ
CIZ
OVERWEGINGEN
blijvendwordt verstaan: van niet voorbijgaande aard.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 2012, heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft deze aanvraag bij besluit van 2 oktober 2017 afgewezen en het bezwaar van appellante bij besluit van 13 februari 2018 ongegrond verklaard, omdat niet kon worden vastgesteld dat zij een verstandelijke handicap heeft die leidt tot een blijvende noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank baseerde zich op het advies van de medisch adviseur van het CIZ, die stelde dat de IQ-score tussen 70 en 85 lag en dat diagnostiek en behandeling nog niet waren afgerond, waardoor geen grondslag verstandelijke handicap kon worden vastgesteld.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd en aanvullende rapportages overgelegd, waaronder een orthopedagogisch en psychologisch onderzoek en een brief van een kinder-neuroloog. De Centrale Raad van Beroep heeft echter geoordeeld dat deze stukken niet zien op de situatie tijdens de beoordelingsperiode tot 13 februari 2018 en dat er geen aanleiding is het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Raad bevestigt dat appellante niet voldoet aan de criteria van artikel 3.2.1 Wlz voor blijvende 24-uurszorg en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wlz-aanvraag wordt bevestigd.