ECLI:NL:CRVB:2020:21
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving een WIA-uitkering die door het UWV werd beëindigd per 16 april 2015 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na melding van toegenomen klachten in maart 2015 stelde een UWV-arts in september 2016 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarop een arbeidsdeskundige een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% berekende. Het UWV besloot in november 2016 het recht op de uitkering te beëindigen en verklaarde in juni 2017 het bezwaar van appellant ongegrond.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de UWV-artsen de beperkingen juist hadden vastgesteld. De verklaring van de huisarts uit oktober 2017 bevatte diagnoses die reeds bekend waren en waren meegewogen. De rechtbank zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en achtte de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verklaring van de huisarts onvoldoende werd meegewogen en dat een deskundige benoemd had moeten worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verklaring slechts een opsomming van bekende diagnoses betrof en dat appellant geen ongelijkwaardige positie had ten opzichte van het UWV. De Raad stelde vast dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie aan te leveren en dat het UWV beschikte over uitgebreide medische gegevens.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant per 18 maart 2015 en 21 september 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.