ECLI:NL:CRVB:2020:2143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugkomen op beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich in maart 2013 ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een Eerstejaars ZW-beoordeling besloot het UWV in maart 2014 de uitkering te beëindigen, omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Appellant stelde bezwaar en verzocht in 2018 om herziening van het besluit op grond van nieuwe medische diagnoses en stukken van psychologen en psychiaters.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische informatie uit 2018 niet als nieuwe feiten kon worden beschouwd die relevant waren voor de situatie in 2014. De Raad toetste dit oordeel en bevestigde dat de medische gegevens uit 2018 betrekking hadden op een latere situatie en geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormden die het eerdere besluit konden wijzigen.
De Raad overwoog dat het bestuursorgaan het standpunt zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd had en dat er geen sprake was van een evident onredelijk besluit. Het hoger beroep van appellant faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.