ECLI:NL:CRVB:2020:2148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens inkomsten ziektewetuitkering zonder dringende redenen
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over de herziening en terugvordering van bijstand. Appellant ontving in de periode van 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2018 inkomsten uit een ziektewetuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam bracht deze inkomsten in mindering op de bijstand en vorderde een bedrag van €652,74 terug.
De kern van het geschil betreft de vraag of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen alleen worden aangenomen bij onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor betrokkene, waarbij sprake moet zijn van een bijzondere en uitzonderlijke situatie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden aanwezig zijn.
Ook het feit dat het college in mei 2018 afzag van verrekening vanwege de kostendelersnorm betekent niet dat de terugvordering moet worden opgeheven. Appellant wordt beschermd door de beslagvrije voet op het moment van invordering. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.