ECLI:NL:CRVB:2020:2154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bruikleenauto wegens ontbreken medische en sociale noodzaak
Appellant, geboren in 1988 en lijdend aan het Dygge-Melchior-Clausensyndroom, vroeg om een bruikleenauto op grond van de Wmo 2015. Het college wees de aanvraag af omdat medisch gezien een bruikleenauto niet noodzakelijk is; appellant kan reizen met de regiotaxi met begeleiding van zijn ouders. Dit besluit werd ondersteund door medisch advies van Treve Advies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat een algemene vervoersvoorziening als de regiotaxi een voorliggende voorziening is en alleen bij ongeschiktheid van deze voorziening een maatwerkvoorziening als een bruikleenauto kan worden toegekend. De rechtbank vond het medisch advies zorgvuldig en onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn gedragsproblemen verhinderen dat hij gebruik kan maken van de regiotaxi met een onbekende chauffeur, en dat hij een bruikleenauto nodig heeft voor sociaal-recreatieve doeleinden. De Raad oordeelde echter dat de gedragsproblemen zich niet in ernstige mate voordoen bij individueel vervoer met begeleiding door een bekend persoon en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de regiotaxi ongeschikt is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en het college dat er geen medische of sociale noodzaak is voor een bruikleenauto. Het hoger beroep wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een bruikleenauto afgewezen.