ECLI:NL:CRVB:2020:2260

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2020
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
18/2526 WSFBSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-woonachtig op BRP-adres

Appellant stond ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een adres waar hij volgens onderzoek niet daadwerkelijk woonde. Op grond hiervan herzag de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de studiefinanciering en verklaarde hem vanaf 1 augustus 2013 als thuiswonende studerende, met terugvordering van € 8.935,02.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze herziening ongegrond, omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij daadwerkelijk op het BRP-adres woonde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onterecht als thuiswonende was aangemerkt en dat hij aannemelijk had gemaakt dat hij uitwonend was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering met terugvordering wordt bevestigd.

Uitspraak

18.2526 WSFBSF

Datum uitspraak: 23 september 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2018, 17/7199 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.C.H. van Loosbroek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Loosbroek. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant stond vanaf 8 augustus 2013 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven onder het adres [straat en huisnummer] te [plaatsnaam] (BRP-adres). Appellant heeft vanaf september 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.
Twee controleurs hebben in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt.
1.3.
De minister heeft op basis van de bevindingen van het onderzoek bij besluit van 14 april 2017 de aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat hij vanaf 1 augustus 2013 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij heeft de minister een bedrag van € 8.935,02 van hem teruggevorderd.
1.4.
De minister heeft bij besluit van 6 september 2017 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2017 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het BRP-adres. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd is onvoldoende om afbreuk te doen aan de bevindingen en conclusie van de minister. Verder heeft appellant geen bewijsmiddelen overgelegd waarmee hij onomstotelijk het bewijs heeft geleverd dat hij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek wel op het BRP-adres heeft gewoond.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de minister hem ten onrechte heeft aangemerkt als thuiswonende en dat niet vaststaat dat hij woonachtig is geweest bij zijn ouders. Hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij uitwonende was en dat de terugvordering onterecht is.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot andere oordelen had moeten komen. De rechtbank heeft de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en deugdelijk en toereikend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid.
4.2.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2020.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) R.H. Koopman