ECLI:NL:CRVB:2020:2289

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2020
Publicatiedatum
25 september 2020
Zaaknummer
19/3399 ZW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering ondanks psychiatrisch onderzoek en zwangerschap

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering per 26 mei 2018 te beëindigen, omdat zij volgens het UWV meer dan 65% van haar loon kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling, inclusief een psychiatrisch onderzoek door psychiater Cohen, zorgvuldig en deugdelijk was.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de verzekeringsarts ten onrechte de psychiatrische expertise van Cohen had gebruikt, mede omdat Cohen aan het einde van het gesprek een opmerking maakte die niet in zijn rapport was verwerkt en omdat zij zwanger was tijdens het onderzoek zonder dit te weten. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om aan de conclusies te twijfelen.

De Raad benadrukte dat de lichte problematiek die Cohen vaststelde geen ernstige beperkingen veroorzaakte en dat er geen medische informatie was die zwaardere beperkingen aannemelijk maakte. Ook de zwangerschap van appellante beïnvloedde de beoordeling niet, aangezien er geen aanwijzingen waren dat zwangerschapsklachten op de peildatum bestonden. De uitkering werd daarom terecht beëindigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 26 mei 2018.

Uitspraak

19.3399 ZW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2019, 18/6758 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 september 2020
PROCESVERLOOP
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: A.I. Siskina
Ter zitting zijn verschenen: mr. E. Tahitu, gemachtigde van appellante, en A. Anandbahadoer gemachtigde van het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het Uwv heeft bij besluit van 25 april 2018, gehandhaafd bij besluit van 11 oktober 2018 (bestreden besluit), de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 26 mei 2018 beëindigd, omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken zorgvuldig zijn geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, heeft appellante gezien en gesproken op de hoorzitting, heeft een expertise-onderzoek laten verrichten door psychiater D. Cohen en ook de medische informatie van de huisarts, psycholoog en fysiotherapeut in zijn beoordeling betrokken. Psychiater Cohen beschikte eveneens over de medische informatie van de behandelend sector, hij heeft appellante in persoon gezien en psychiatrisch onderzoek bij haar verricht. Volgens de rechtbank heeft Cohen zijn conclusie, dat bij appellante sprake is van lichte problematiek die niet gepaard gaat met ernstige beperkingen, inzichtelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens inzichtelijk heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om meer beperkingen aan te nemen dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 maart 2018 zijn opgenomen. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat haar beperkingen op de datum in geding, 26 mei 2018, mogelijk ernstiger waren dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn aangenomen. Daarnaast bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de zwangerschapsklachten van appellante, op grond waarvan het Uwv haar per 10 oktober 2018 opnieuw een ZW-uitkering heeft toegekend, al bestonden op de datum in geding. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de in de FML vastgelegde beperkingen, noch aan de conclusie dat appellante in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte de psychiatrische expertise van Cohen aan de medische beoordeling ten grondslag heeft gelegd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat Cohen na zijn onderzoek iets anders aan appellante heeft gemeld dat wat hij later in zijn rapportage heeft opgenomen. Ook is niet onderkend dat appellante – naar achteraf is gebleken – tijdens het onderzoek door psychiater Cohen zwanger was.
3.2.
Appellante heeft aldus in hoger beroep geen andere gronden dan in beroep naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Het oordeel van de rechtbank en de onder 2 weergegeven overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben gebracht, worden onderschreven. Daar wordt nog aan toegevoegd dat een mogelijke opmerking van Cohen aan het einde van zijn gesprek met appellante over de ernst van de gebeurtenis die zij in haar werk op het kinderdagverblijf heeft meegemaakt, geen aanleiding geeft tot twijfel aan de conclusies uit zijn onderzoek. Dit geldt eveneens voor het door appellante ingenomen standpunt dat zij ten tijde van het psychiatrisch onderzoek zwanger was, maar daarmee zelf (nog) niet bekend was.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) I.A. Siskina (getekend) M. Schoneveld