ECLI:NL:CRVB:2020:231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeksters, bestaande uit een moeder en haar meerderjarige dochter, hebben bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam opvang aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees het verzoek af omdat verzoekster 1 niet voldeed aan de voorwaarde van beperkte zelfredzaamheid, zoals vastgesteld in GGD-screeningsrapporten.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van verzoeksters tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat een huisvestingsprobleem geen grond is voor maatschappelijke opvang en verzoekster 1 voldoende zelfredzaam is.
Verzoeksters stelden vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in voor maatschappelijke opvang in de vorm van een omslagwoning of vergelijkbaar stabiel onderdak met begeleiding. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat verzoeksters niet hadden gesteld dat zij niet langer in de noodopvang konden verblijven of dat de dochter niet langer bij een bekende kon verblijven. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de geboden opvang niet voldeed aan de eisen.
Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.