Appellant vroeg algemene bijstand aan en gaf op sinds september 2017 een kamer te huren op een opgegeven adres. Het college voerde onderzoek uit, waaronder huisbezoeken en gesprekken, waarbij appellant vaak afwezig was en geen aanvullende informatie verstrekte over zijn verblijfplaats.
Het college wees de aanvraag af wegens het niet voldoen aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht, waardoor de woonsituatie niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
Appellant voerde diverse gronden aan, waaronder schending van procesregels en internationale verdragsrechten, maar deze werden verworpen. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf, niet meewerkte en dat het college terecht de aanvraag afwees.
De Raad benadrukte dat de verplichting tot medewerking ook na het verstrijken van de beslistermijn blijft gelden en dat het recht op godsdienst niet werd beperkt door het college. De uitspraak bevestigt het belang van volledige medewerking bij aanvragen om bijstand.