ECLI:NL:CRVB:2020:2363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet melden aanvullende middelen
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht vanwege vermoedens van niet gemelde aanvullende middelen. Uit het onderzoek bleek dat appellant contante gelden van familie ontving en deze deels besteedde aan vaste lasten en schulden. Het college trok de bijstand over de periode augustus 2015 tot juli 2016 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank stelde het terug te vorderen bedrag bij en verklaarde het beroep deels gegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de aanvullende middelen bestonden uit maaltijden bij familie en benzinekosten betaald door zijn dochter, waardoor afstemming van de bijstandsnorm mogelijk zou zijn.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de aanvullende middelen uitsluitend uit deze posten bestonden en dat het bedrag voor benzine onduidelijk was. Ook was de besteding van €21,07 per maand aan overige kosten laag. Daarom kon geen individuele afstemming plaatsvinden en werd het hoger beroep verworpen, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.