ECLI:NL:CRVB:2020:2376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van OV-schuld en niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding
Appellante heeft studiefinanciering aangevraagd en daarbij een reisrecht gekoppeld gekregen, dat zij op haar OV-chipkaart heeft geladen. Na het stopzetten van haar studiefinanciering wegens studiebeëindiging, heeft zij het reisrecht niet beëindigd, waardoor een OV-schuld ontstond. De minister bracht haar per halve maand een bedrag van €97 in rekening.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelde dat de besluiten op juiste wijze waren bekendgemaakt en dat appellante als minderjarige bekwaam was om studiefinanciering en het reisrecht aan te vragen en stop te zetten. Verzoeken tot schadevergoeding werden afgewezen wegens het ontbreken van onrechtmatigheid.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, onder meer dat de schuld niet had mogen worden vastgesteld vanwege haar minderjarigheid en dat de besluiten niet deugdelijk bekend waren gemaakt. De Raad onderschreef de eerdere overwegingen en oordeelde dat de minderjarigheid geen beletsel vormde voor het vaststellen van de schuld. Ook was de bekendmaking aan appellante voldoende en was de minister niet verplicht de ouders te informeren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.