ECLI:NL:CRVB:2020:2492

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 oktober 2020
Publicatiedatum
15 oktober 2020
Zaaknummer
20/1581 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De gemachtigde van appellant werd meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €131,- en de gevolgen van niet-betaling. Ondanks een verzoek om betalingsonmacht en het aanleveren van inkomensgegevens, werd het beroep op betalingsonmacht afgewezen vanwege het niet tijdig en volledig aanleveren van de benodigde informatie.

De Raad heeft appellant meerdere kansen gegeven om het griffierecht te voldoen, waaronder aangetekende brieven met duidelijke termijnen en waarschuwingen dat het beroep niet inhoudelijk behandeld zou worden bij uitblijven van betaling. Het griffierecht is uiteindelijk niet betaald binnen de gestelde termijn.

Gezien de beschikbare gegevens kan niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim was, ook niet vanwege zijn stelling dat ziekte hem belemmerde eerder te reageren. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 oktober 2020
20/1581 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
12 maart 2020, 19/2325 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 5 mei 2020 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Gemachtigde heeft bij fax van 2 juni 2020 namens appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij aangetekende brief van 5 juni 2020 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij brief van 10 juni 2020 is de gemachtigde van appellant naar aanleiding van zijn verzoek om vrijstelling gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. Gemachtigde van appellant is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief.
Appellant heeft dit formulier ingevuld en ingezonden binnen de gestelde termijn van twee weken.
Bij brief van 1 juli 2020 heeft de Raad een inkomensverklaring van appellante opgevraagd bij de Raad voor rechtsbijstand.
Op 6 juli 2020 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een inkomensverklaring van appellant overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat het verzamelinkomen van appellant
€ 5.369,- bedraagt in het peiljaar 2018.
Bij brief van 7 juli 2020 is aan appellant een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van de bij de brief gevoegde verklaring te reageren, nu de gegevens in de inkomensverklaring niet actueel waren. Daarbij is appellant erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens.
Bij brief van 3 augustus 2020 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat de verzochte informatie niet is verstrekt binnen de gestelde termijn van twee weken. Daarom is het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
Bij aangetekende brief van 5 augustus 2020 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Hieraan doet de stelling van appellant niet af, dat hij wegens ziekte niet eerder kon reageren. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
15 oktober 2020
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) P.A.M. Hulsdouw
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.