ECLI:NL:CRVB:2020:2493

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 oktober 2020
Publicatiedatum
15 oktober 2020
Zaaknummer
20/2097 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in AOW-zaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam in een AOW-zaak. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €131,- en de termijn waarbinnen dit betaald moest worden. Appellant heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan, maar na beoordeling van de door hem verstrekte gegevens is vastgesteld dat hij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet vanwege een te hoog inkomen.

Ondanks herhaalde aanmaningen, waaronder een aangetekende brief, heeft appellant het griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan. De Raad oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 oktober 2020. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 oktober 2020
20/2097 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2020, 19/6362 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Duitsland (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 26 juni 2020 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij faxbericht van 7 juli 2020 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van 16 juli 2020 is appellant naar aanleiding van zijn verzoek om vrijstelling gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. Appellant is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief.
Daarbij is appellante erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens.
Appellant geeft in zijn fax van 21 juli 2020 aan dat pagina 1 ontbreekt naar aanleiding van de brief van de Raad van 16 juli 2020.
Bij brief van 24 juli 2020 is aan appellant meegedeeld dat pagina 1 de brief is welk appellant per fax heeft meegestuurd. Pagina 1 is namelijk de brief zelf waarin de Raad appellant verzoekt het formulier dat op pagina 2 staat ingevuld retour te sturen. Daarbij is de termijn met één week verlengd.
Appellant heeft dit formulier ingevuld en ingezonden binnen de gestelde termijn.
Bij brief van 12 augustus 2020 heeft de Raad aan appellant medegedeeld dat uit de door appellant verstrekte gegevens blijkt dat appellant niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet, omdat het actuele inkomen van appellant en zijn partner hoger is dan de gestelde norm van € 953,13.
Bij aangetekende brief van 14 augustus 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
15 oktober 2020.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) P.A.M. Hulsdouw
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.