Uitspraak
24 december 2019, 19/2441 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Volgens de Algemene wet bestuursrecht is het betalen van griffierecht verplicht bij het indienen van een beroepschrift en hoger beroep. Appellante is meerdere malen schriftelijk geïnformeerd over de verschuldigdheid en betalingstermijnen van het griffierecht.
Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen betaald. De Raad concludeert op basis van de beschikbare gegevens dat appellante in verzuim is geweest. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en kan zonder verdere inhoudelijke behandeling worden beslist.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door rechter E.C.R. Schut in aanwezigheid van griffier N. Khachatryan op 20 oktober 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.