ECLI:NL:CRVB:2020:2566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA op 52,58%
Appellant, laatstelijk werkzaam als ijzerwerker/lasser, meldde zich ziek wegens lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant voor 52,58% arbeidsongeschikt is en wees een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en het werkplan voor re-integratie, maar deze bezwaren werden door het UWV ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat er geen rekening was gehouden met zijn beperkingen, onder meer omdat er geen informatie was opgevraagd bij zijn behandelend specialisten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig is geweest en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant adequaat heeft beoordeeld. De Raad bevestigt dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat appellant in staat is tot re-integratie. Nieuwe medische gegevens die appellant overlegt betreffen een latere periode en leiden niet tot een ander oordeel.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 52,58% en verklaart het hoger beroep ongegrond.