ECLI:NL:CRVB:2020:2602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen verdergaande terugwerkende kracht bij toekenning ouderdomspensioen
Appellant, woonachtig in China, ontving vanaf juli 2005 een AOW-pensioen dat in november 2015 werd geschorst en in februari 2016 beëindigd wegens het niet overleggen van een levensbewijs. Na hernieuwde aanvraag in maart 2019 kende de Sociale verzekeringsbank (Svb) het pensioen toe vanaf februari 2018. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit dat geen verdergaande terugwerkende kracht werd toegekend dan één jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet tijdig een aanvraag kon indienen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zijn paspoort niet kon overleggen vanwege beslaglegging en identiteitsverificatieproblemen bij het Nederlandse consulaat in Shanghai, en verwees naar persoonlijke omstandigheden.
De Raad oordeelt dat appellant binnen een jaar na november 2015 een nieuwe aanvraag had kunnen indienen en dat het consulaat levensbewijzen heeft afgegeven voor andere pensioenuitkeringen. Appellant had het benodigde formulier kunnen opvragen. De Raad concludeert dat geen sprake is van een bijzonder geval dat rechtvaardigt het pensioen met verdergaande terugwerkende kracht toe te kennen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het ouderdomspensioen wordt niet met verdergaande terugwerkende kracht toegekend.