Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2649

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2020
Publicatiedatum
28 oktober 2020
Zaaknummer
19/5276 WSFBSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbWet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging proceskosten- en griffierechtbeslissingen wegens onjuistheid niet-horen betrokkene

Betrokkene ontving studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, berekend op basis van een uitwonende norm. De minister herzag de toelage na een huisbezoek waaruit bleek dat betrokkene niet woonde op het geregistreerde adres en legde tevens een bestuurlijke boete op. Na bezwaar handhaafde de minister zowel het herzienings- als het boetebesluit.

De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en stelde vast dat betrokkene in de bezwaarfase niet was gehoord over het boetebesluit. De rechtbank paste artikel 6:22 van Pro de Awb toe en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De minister stelde in hoger beroep dat betrokkene wel was gehoord, wat door overlegde stukken werd bevestigd. Hierdoor ontbrak feitelijke grondslag voor de beslissingen over proceskosten en griffierecht. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze beslissingen en wees een veroordeling in proceskosten af.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 oktober 2020.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de beslissingen over proceskosten en griffierecht wegens het feit dat betrokkene wel is gehoord.

Uitspraak

19/5276 WSFBSF
Datum uitspraak: 28 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
11 november 2019, 18/4818 en 19/2249 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
De minister heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontving studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. De minister heeft de toelage van betrokkene herzien nadat bij een huisbezoek is vastgesteld dat hij niet woonde op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen was ingeschreven. Daarnaast is een bestuurlijke boete opgelegd. Na bezwaar heeft de minister het herzieningsbesluit en het boetebesluit gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen de gehandhaafde besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene in de bezwaarfase over het boetebesluit had moeten worden gehoord, maar dat dat niet is gebeurd. De rechtbank heeft dit gebrek onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, maar in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wel aanleiding gezien de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene en de minister op te dragen het door betrokkene betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.
3. De minister heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat betrokkene in de bezwaarfase niet is gehoord. Dat brengt mee dat de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht te laten vergoeden ten onrechte zijn gegeven.
4. Het hoger beroep slaagt. Uit de door de minister bij het hoger beroep overgelegde stukken volgt dat betrokkene in de bezwaarfase wel is gehoord. De desbetreffende overweging in de aangevallen uitspraak mist daarom feitelijke grondslag. Nu de rechtbank uitsluitend in het niet-horen aanleiding heeft gezien toepassing te geven aan artikel 6:22 van Pro de Awb en om die reden beslissingen heeft gegeven over de proceskosten en het griffierecht, zijn deze beslissingen ten onrechte gegeven. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de minister daarin is veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en voor zover de minister is opgedragen het door betrokkene betaalde griffierecht te vergoeden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin beslissingen zijn gegeven over de proceskosten en het griffierecht.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2020.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) P. Boer