ECLI:NL:CRVB:2020:2649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging proceskosten- en griffierechtbeslissingen wegens onjuistheid niet-horen betrokkene
Betrokkene ontving studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, berekend op basis van een uitwonende norm. De minister herzag de toelage na een huisbezoek waaruit bleek dat betrokkene niet woonde op het geregistreerde adres en legde tevens een bestuurlijke boete op. Na bezwaar handhaafde de minister zowel het herzienings- als het boetebesluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en stelde vast dat betrokkene in de bezwaarfase niet was gehoord over het boetebesluit. De rechtbank paste artikel 6:22 van Pro de Awb toe en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De minister stelde in hoger beroep dat betrokkene wel was gehoord, wat door overlegde stukken werd bevestigd. Hierdoor ontbrak feitelijke grondslag voor de beslissingen over proceskosten en griffierecht. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze beslissingen en wees een veroordeling in proceskosten af.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 oktober 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de beslissingen over proceskosten en griffierecht wegens het feit dat betrokkene wel is gehoord.