ECLI:NL:CRVB:2020:2650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-uitwonendheid studente
Appellante ontving vanaf oktober 2013 studiefinanciering berekend naar de norm voor uitwonende studenten, terwijl zij volgens onderzoek van de minister niet aan de voorwaarden voor uitwonendheid voldeed. Na een huisbezoek bleek dat zij haar hoofdverblijf niet op het geregistreerde adres had, wat leidde tot een herzieningsbesluit en terugvordering van €8.753,64.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat onvoldoende persoonlijke spullen werden aangetroffen die haar verblijf op het adres konden bevestigen. Appellante voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, aangevuld met stageovereenkomsten die haar adres bevestigden, maar de Raad oordeelde dat deze niet aantonen dat zij daadwerkelijk op dat adres woonde.
De Raad bevestigde dat de minister de beschikking mocht herzien op grond van artikel 7.1 Wsf 2000 binnen de wettelijke termijn van vijf jaar na afloop van de studiefinancieringstijdvakken. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot herziening van de studiefinanciering wordt bevestigd.