ECLI:NL:CRVB:2020:2652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds 16 juli 2015. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het college een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding met X op het uitkeringsadres. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, onaangekondigde huisbezoeken, waarnemingen en buurtonderzoek.
Het college trok de bijstand per 6 maart 2018 in, omdat uit het onderzoek bleek dat X zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat X slechts incidenteel verbleef en dat zij zich samenwonend voordeden vanwege bedreigingen.
De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven bepalend is voor gezamenlijke huishouding en dat de objectieve feiten – zoals kleding, poststukken, sleutelgebruik, waarnemingen en verklaringen van buurtbewoners – voldoende bewijs vormen dat X zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante. De motieven van appellante zijn niet relevant. Ook het bezwaar tegen eerdere perioden waarin geen gezamenlijke huishouding werd vastgesteld, faalde. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen omdat de intrekking rechtmatig was.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.