ECLI:NL:CRVB:2020:2669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid bevestigd in hoger beroep
Appellante was in beroep gegaan tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering per 21 november 2017 te beëindigen, omdat zij vanaf die datum weer geschikt zou zijn voor de maatgevende arbeid. Het UWV baseerde dit op een medisch oordeel dat de functionele mogelijkhedenlijst van december 2016 nog geldig was, ondersteund door rapporten van verzekeringsartsen.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig en juist was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen voldoende op de hoogte waren van haar medische situatie. Appellante bracht in hoger beroep nieuwe medische stukken in, maar deze betroffen een periode ruim na de datum in geschil en toonden geen nieuwe aandoeningen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de ingediende medische stukken geen aanleiding geven tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de beëindiging van de uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.