ECLI:NL:CRVB:2020:2711

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2020
Publicatiedatum
4 november 2020
Zaaknummer
19/742 ANW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ANW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante had een nabestaandenuitkering die per 1 juni 2017 werd beëindigd omdat zij niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt werd geacht. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond, waarbij het advies van het UWV leidend was. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat psychosociale factoren onvoldoende waren meegewogen bij de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Zij wees op haar situatie als alleenstaande moeder van zeven kinderen sinds 1997, haar analfabetisme, het ontbreken van scholing en werkervaring. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 11 van Pro de Algemene nabestaandenwet (ANW) plaatsvindt op basis van objectief medisch vaststelbare ziekte of gebreken en het vermogen om met arbeid ten minste 55% van het normale inkomen te verdienen.

De Raad vond dat het bestreden besluit een deugdelijke medische grondslag heeft, waarbij ook psychische beperkingen zijn meegenomen in de functionele mogelijkhedenlijst. De voorgehouden functies zijn passend geacht, rekening houdend met het ontbreken van scholing en werkervaring. De door appellante genoemde eerdere uitspraak betrof een andere situatie en was niet relevant voor deze zaak. De Raad bevestigde daarom de beëindiging van de nabestaandenuitkering.

Uitkomst: De nabestaandenuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

19.742 ANW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 januari 2019, 18/1649 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 24 september 2020
Zitting hebben: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: B.H.B. Verheul
Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door haar advocaat mr. M.A. Spek; namens de Svb mr. A. Marijnissen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 29 maart 2017 is de nabestaandenuitkering van appellante beëindigd met ingang van 1 juni 2017 omdat zij niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij beslissing op bezwaar van 29 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2017 ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar het advies van het Uwv dat is opgesteld na beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat ook psychosociale factoren een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft na het overlijden van haar man in 1997 zeven kinderen alleen moeten opvoeden. Zij heeft nimmer scholing gehad en is analfabeet. Bovendien heeft zij geen enkele werkervaring.
4.1.
Het gaat in dit geval om de vraag of appellante op en na 1 juni 2017 arbeidsongeschikt is in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Volgens artikel 11 van Pro de ANW is arbeidsongeschikt in de zin van de ANW degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Arbeid is daarbij alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Volgens vaste rechtspraak wordt bij de toepassing van artikel 11 van Pro de ANW zo mogelijk aansluiting gezocht bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten.
4.2.
In hoger beroep is niet gesteld dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is. Op de zitting is toegelicht dat van appellante niet kan worden gevergd dat zij na al die jaren, zonder enige werkervaring, nog inkomensvormende arbeid gaat verrichten. De Raad begrijpt dat appellante dit zo voelt. Beoordeeld moet echter worden of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 11 van Pro de ANW. Gelet op de stukken is de Raad van oordeel dat dit niet het geval is. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. In de functionele mogelijkhedenlijst is rekening gehouden met alle aandoeningen van appellante, ook met het feit dat zij psychisch verminderd belastbaar is. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante bevestigd dat de voorgehouden functies passend zijn wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de functionele mogelijkhedenlijst. Met name is rekening gehouden met het feit dat appellante ongeschoold is en geen enkele werkervaring heeft. De door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 24 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1598, betreft, zoals ter zitting besproken, een heel andere situatie en kan niet afdoen aan dit oordeel.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B.H.B. Verheul (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum