ECLI:NL:CRVB:2020:2711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante had een nabestaandenuitkering die per 1 juni 2017 werd beëindigd omdat zij niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt werd geacht. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond, waarbij het advies van het UWV leidend was. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat psychosociale factoren onvoldoende waren meegewogen bij de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Zij wees op haar situatie als alleenstaande moeder van zeven kinderen sinds 1997, haar analfabetisme, het ontbreken van scholing en werkervaring. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid volgens artikel 11 van Pro de Algemene nabestaandenwet (ANW) plaatsvindt op basis van objectief medisch vaststelbare ziekte of gebreken en het vermogen om met arbeid ten minste 55% van het normale inkomen te verdienen.
De Raad vond dat het bestreden besluit een deugdelijke medische grondslag heeft, waarbij ook psychische beperkingen zijn meegenomen in de functionele mogelijkhedenlijst. De voorgehouden functies zijn passend geacht, rekening houdend met het ontbreken van scholing en werkervaring. De door appellante genoemde eerdere uitspraak betrof een andere situatie en was niet relevant voor deze zaak. De Raad bevestigde daarom de beëindiging van de nabestaandenuitkering.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt is.