ECLI:NL:CRVB:2020:2716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling arbeidsongeschiktheid machineoperator
Appellant was werkzaam als machineoperator tot maart 2015 en ontving eerder een WIA-uitkering die in 2013 werd beëindigd. Na ziekmelding in april 2015 met psychische klachten ontving hij een Ziektewetuitkering en later een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat hij zijn oude werk kon verrichten. Daarom werd de WIA-uitkering per 14 februari 2018 beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en appellant terecht als in staat werd beschouwd zijn werkzaamheden te verrichten. In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen onvoldoende waren erkend en het arbeidskundig onderzoek niet zorgvuldig was, mede vanwege informatie van zijn ex-werkgever.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe onderbouwing had geleverd en dat het UWV-onderzoek zorgvuldig en juist was uitgevoerd. De Raad onderschreef de rechtbank en bevestigde dat appellant zijn functie als machineoperator kan hervatten, waardoor de WIA-uitkering terecht is beëindigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellant terecht is beëindigd omdat hij zijn oude functie kan hervatten.